• Leestijd 3 - 4 minuten

Vervaltermijn verstreken, tóch transitievergoeding!

Blog transitievergoeding

Het hof Den Haag heeft onlangs een arrest gewezen waarbij de werknemer, ondanks het verstrijken van de vervaltermijn, toch aanspraak kon maken op uitbetaling van de transitievergoeding.

Hoe zit het ook alweer met de vervaltermijnen? Met de invoering van de WWZ is ook een aantal vervaltermijnen ingevoerd, ook voor het maken van aanspraak op een transitievergoeding. Indien de werknemer niet uiterlijk binnen 3 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst een verzoekschrift indient om aanspraak te maken op de transitievergoeding, vervalt de bevoegdheid hiertoe. Kortom: de werknemer kan zijn vordering niet meer in rechte opeisen.

In de onderhavige casus is de arbeidsovereenkomst van werknemer vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid met toestemming van het UWV bij brief van 15 december 2015 opgezegd per 1 juli 2016 (de opzegtermijn was 6 maanden). Voorafgaand aan de opzeggingsbrief heeft de werkgever (Kwik-Fit) geschreven:

'Op 29 november 2015 bent u 104 weken arbeidsongeschikt. (…) Kwik-Fit zal (…) overgaan tot het aanvragen van een ontslagvergunning bij het UWV. U zal daarover te zijner tijd door het UWV worden geïnformeerd. Indien het UWV Kwik-Fit een ontslagvergunning verleent, zal Kwik-Fit uw dienstverband beëindigen met inachtneming van de daarvoor geldende opzegtermijn. Daarna zult u een eindafrekening ontvangen van Kwik-Fit, waarbij uw saldo verlofuren en uw vakantiegeld zal worden uitbetaald, evenals een transitievergoeding.'

Over de maand juni 2016 heeft werknemer een eindafrekening ontvangen waarin onder meer de vakantieuren zijn afgerekend, maar geen transitievergoeding is betaald. Vervolgens heeft de gemachtigde van werknemer op 26 augustus 2016 nog contact opgenomen met werkgever waarvan een terugbelverzoek is gemaakt. De werkgever heeft echter niet teruggebeld. Op 27 september 2016 heeft werknemer zelf nog een handgeschreven brief gestuurd met de navolgende inhoud:

'De transitievergoeding is nog niet uitbetaald. Graag meer uitleg!'

Vervolgens heeft de werkgever op 11 oktober 2016 geschreven:

'(…) Hierbij bevestigen wij dat wij uw schrijven van 27 september 2016 op 28 september 2016 hebben ontvangen. U vraagt daarin om opheldering over het uitbetalen van uw transitievergoeding.

Uw dienstverband bij KwikFit is per 1 juli 2016 geëindigd. Het verzoekschrift om uw transitievergoeding op te eisen dient door de werknemer binnen 3 maanden bij de kantonrechter te zijn ingediend.

Tot op heden hebben wij geen bericht ontvangen dat er een verzoekschrift is ingediend waarin u de transitievergoeding opeist. Indien u binnen 3 maanden na het einde van uw dienstverband geen verzoek daartoe indient bij de kantonrechter dan komt uw recht op de transitievergoeding te vervallen.

Vertrouwend u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.'

Ondanks het verstrijken van de vervaltermijn heeft de kantonrechter de transitievergoeding op verzoek van de werknemer toegewezen. Van deze beslissing is de werkgever in hoger beroep gegaan met een beroep op de vervaltermijn. Ook in de ogen van het hof Den Haag vindt de handelwijze van de werkgever geen genade. In deze zaak heeft tussen partijen op geen enkel moment een meningsverschil bestaan over de vraag of werknemer recht heeft op een transitievergoeding, terwijl de omvang van die vergoeding evenmin ter discussie staat of heeft gestaan. Dit blijkt ook uit de brief van 11 oktober 2016.

Tot 11 oktober 2016 heeft de werkgever aan werknemer niet gemeld dat zij niet tot uitbetaling zou overgaan. Het hof overweegt uiteindelijk dat werknemer er op geen enkel moment vóór 11 oktober 2016 rekening mee behoefde te houden dat de transitievergoeding niet aan hem betaald zou worden en dat hij deze in rechte zou moeten verzoeken.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is aan het ongebruikt verstrijken van de vervaltermijn de conclusie te verbinden dat werknemer de betaling van de transitievergoeding niet meer zou kunnen verzoeken.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de werkgever nog aangevoerd dat het binnen haar (commerciële) bedrijf vanuit competitieve overwegingen beleid is om bij het einde van een dienstverband niet uit eigen beweging tot betaling van de transitievergoeding over te gaan.

Ook dit argument vindt in de ogen van het hof weinig genade. Het hof acht dit in strijd met de voor de werkgever uit de artikelen 7:673 BW en artikel 7:611 BW als goed werkgever voortvloeiende verplichtingen. De vervaltermijn is bedoeld om onenigheid over (de omvang van) de transitievergoeding op korte termijn te doen beslechten maar niet om, waar deze onenigheid er niet is, te speculeren op het ongebruikt verstrijken van die termijn om te trachten aan op de werkgever rustende verplichtingen te ontkomen.

Dit arrest maakt duidelijk dat een oneigenlijk beroep op de vervaltermijn in de ogen van de rechter geen genade zal vinden.

Contact

Kaart

Bosselaar Strengers Legal Partners

Euclideslaan 111, 3584 BR Utrecht

Tel
+31 302 34 72 34
E-mail
office@bosselaar.nl
Fax
+31 30 234 72 72